Samenvatting onderzoek 'Lokaal beleid de maat genomen'


In het kader van haar taken bij de ondersteuning van lokaal sportbeleid heeft het NISB onderzoek laten doen naar de stand van zaken van gemeentelijk sport- en beweegbeleid. Al bijna tien jaar voert de rijksoverheid een stimuleringsbeleid op het terrein van sport en bewegen waarbij wordt beoogd dat gemeenten tot meer inspanningen op dit gebied komen. Dit beleid heeft onder meer vorm gekregen in de zogenoemde Breedtesportimpuls (BSI) en de stimuleringsregeling Buurt, Onderwijs, Sport (BOS) respectievelijk gestart in 1999 en 2005. De rijksoverheid heeft met de impulsen niet alleen voor ogen dat sport en bewegen hoger op de lokale beleidsagenda komt, maar ook dat het lokale beleid naar inhoud en vormgeving wordt verbeterd.

NISB heeft als landelijk kenniscentrum de taak gemeenten bij de beleidsontwikkeling te ondersteunen. Daarvoor zijn er de afgelopen jaren onder andere twee methodische handreikingen ontwikkeld: de Beleidswijzer Sport en Bewegen en de Menukaart Sport en Bewegen. De beleidswijzer reikt een stappenplan aan voor de systematische ontwikkeling, realisatie en evaluatie van beleid. De menukaart geeft een overzicht van actuele beleidsthema’s voor het terrein sport en bewegen. Beide handreikingen vormden de basis voor een vragenlijst waarmee inzicht verkregen kon worden in de stand van het lokale sportbeleid.
 
Alle gemeenten in Nederland zijn benaderd om de vragenlijst in te vullen, evenals de stadsdelen van Amsterdam en Rotterdam. Hiervan hebben er 191 gerespondeerd (41%), waarbij de gemeenten met een omvang tussen 50 en 250 duizend inwoners relatief vaker dan kleinere of grotere gemeenten. Een groot aantal aspecten van gemeentelijk sportbeleid wordt in het onderzoek in beeld gebracht. Het gaat om verschillende, veelal kwalitatieve, kenmerken van het beleid zoals: vastlegging, verantwoording van keuzen, structuur en samenhang, draagvlak, (intersectorale) inbedding, uitvoerbaarheid, evaluatie en continuďteit van het beleid. Wat de ontwikkeling en vastlegging van het sportbeleid betreft, heeft ruim driekwart van de gemeenten anno 2007 doelstellingen op het gebied van sport en bewegen expliciet geformuleerd. Bij 58 procent van de gemeenten staan die beschreven in een eigenstandige sportnota. Deze sportnota’s zijn in twee van de drie gevallen opgesteld door beleidsmedewerkers van de gemeente zelf. Bij de totstandkoming van het beleid zijn sportorganisaties vaak betrokken. De invloed is echter beperkt. In ruim twee van de drie gevallen is er sprake van consultatie van de sportorganisaties of advies vragen over het concept van een sport- en beweegnota. Burgers worden veel minder vaak betrokken. Op het punt van de inbedding in en verbinding met ander lokaal beleid blijkt sport- en beweegbeleid in de meeste gevallen via een intersectorale consultatie tot stand gekomen. Vooral de sectoren jeugd, welzijn, gezondheid en ouderen worden vaak betrokken. Bij grotere gemeenten is de intersectorale consultatie veelal breder dan bij kleine gemeenten. De rol die gemeenten voor zichzelf zien op het terrein van sport- en bewegen is in vrijwel alle gevallen te typeren als voorwaardenscheppend. Daarnaast ziet driekwart van de gemeenten ook een meer directe vaak sturende rol: ondersteunen, stimuleren of regisseren.

Bij de gemeenten die het sport- en beweegbeleid hebben vastgelegd (ruim driekwart) is nagegaan welke inhoudelijke thema’s in de gemeentelijk beleidsdoelstellingen aan bod komen. Als we deze doelstellingen nader bezien, blijkt dat gemeentelijk sport- en beweegbeleid vrijwel nergens meer uitsluitend accommodatiebeleid is. Doelen gericht op sportstimulering, stimulering van actieve leefstijl en maatschappelijke participatie zijn bij negen van de tien gemeenten opgenomen. Veruit het vaakst is het beleid op deze terreinen gericht op de doelgroep jeugd. Ook senioren krijgen relatief veel aandacht. Sociale cohesie krijgt in het beleid van driekwart van de gemeenten aandacht. De inhoud van het beleid van grote gemeenten is aanzienlijk breder dan dat van veel kleinere gemeenten. Beleidsvoornemens in de sfeer van buitenschoolse opvang, ruimtelijke voorzieningen, evenementen en topsport worden bij deze gemeenten relatief veel vaker genoemd.

Voor die gemeenten die metingen verrichten om het beleid te monitoren en te evalueren, is sportparticipatie – het deelnemen aan sport – in de meeste gevallen als indicator gebruikt. Zestig procent van de gemeenten peilt hiernaar. Dit gebeurt overigens lang niet altijd volgens een methodiek die (landelijke) vergelijking mogelijk maakt. Eenderde van de gemeenten doet aan tevredenheidmetingen voor het sportaanbod en/of sportaccommodaties. Andere vormen van meting komen bij ten hoogste eenvijfde van de gemeenten voor. Dat er niet zo veel gemeten wordt, is mogelijk mede een gevolg van het feit dat de helft van de gemeenten haar prestaties niet in meetbare termen formuleert. Bij nog geen vijf procent is dit voor alle doelstellingen gebeurd, bij 45 procent zijn slechts enkele doelstellingen in meetbare termen gegoten.

Wat de continuďteit van het breedtesportbeleid betreft, blijkt dat ruim de helft van de deelnemers aan de landelijke BSI een vervolg heeft gegeven aan de BSI, maar dat drie van de tien deelnemende gemeenten dat in afgeslankte vorm heeft gedaan. Geconcludeerd kan worden dat sport en bewegen als beleidsterrein een plaats heeft gekregen in het lokale beleid. Sport en bewegen wordt daarbij niet meer alleen als doel op zich zelf gezien, maar ook als een uitstekend middel voor het oplossen van maatschappelijke problemen. Dat heeft ertoe bijgedragen dat sport en bewegen goed is verankerd in het lokaal beleid. Daarmee is overigens niet gezegd dat er duurzaam aandacht is voor specifieke doelen en thema’s, zoals beoogd met de landelijke beleidsimpulsen. Na de impuls loopt die aandacht, op zijn minst in budgettaire omvang, duidelijk terug. Dit is mogelijk mede het gevolg van het gebrek aan inzicht in de effecten van het gevoerde beleid. Enerzijds heeft dat te maken met de wijze waarop de meeste beleidsdoelstellingen zijn geformuleerd: meer ‘intentioneel’ dan ‘operationeel’. Anderzijds moet meer gestructureerd en planmatig vorm worden gegeven aan monitoring en evaluatie op gemeentelijk niveau. Het verdient dan ook aanbeveling om op een systematische wijze deze en andere aspecten van de lokale beleidsontwikkeling voor sport en bewegen te blijven volgen.